Prof. Kees van der Kooi over bevrijding en demonie (in Friesch Dagblad)

Weg uit het diensthuis, oefenen in nieuw land

Driebergen – Net zo als voor ‘de dienst der genezing’ is ook de aandacht voor ‘de dienst der bevrijding’ onder christenen groeiend. In een serie kwamen Jaap en Hettie Ophoff aan het woord en reageren een theoloog en christen-psychiater op het thema. Vandaag deel 3: Prof. Kees van der Kooi over bevrijding en demonie. KEES VAN DER KOOI

Een van de mooiste teksten van de bijbel is voor mij de manier waarop in Exodus 20 de tien geboden worden ingeleid. God stelt zich voor met de zin: ‘Ik ben de Here, uw God, die u uit land Egypte, uit het diensthuis geleid heb’. Het geeft wat mij betreft tevens de enige manier aan waarop op een zinnige manier over bevrijding en demonie gesproken kan worden, namelijk als iets wat gezegd wordt tot mensen die al in de vrijheid gesteld zijn.

Echt verschil

De huidige belangstelling voor dit onderwerp kan gemakkelijk in het verlengde gezien worden van de toenemende vraag naar wat de christelijke boodschap praktisch voor mensen betekent. Als het evangelie van Jezus Christus iets voorstelt, als de christelijke doop enige betekenis heeft, dan zal dit ook in het geleefde leven gezien en gemerkt moeten worden. We zijn er niet met een belijdenis, met een overtuiging of een lidmaatschap bij een kerk of gemeente. Er is bij velen een verlangen dat geloof in God, omgang met God werkelijk een verschil maakt. De bijbel gaat hen daarin voor. Israël krijgt in de tien geboden een andere stijl van leven aangereikt; in de omgeving van Jezus werden mensen uitgeleid uit wat hen knechtte en afhield van leven. We zien in het evangelie tal van vertellingen waar de ontmoeting met Jezus voor mensen een werkelijke verandering inhoudt van omstandigheden, een transformatie van oud naar nieuw. Soms is die transformatie treffend omschreven met het woord genezing, andere keren kunnen we spreken van een bevrijding van valse bindingen. We kunnen dan spreken van demonie. Iemand is bezet door machten die hem of haar (of een samenleving) kapotmaken. Hebben we daar genoeg aandacht voor? In de nieuwe belangstelling voor bevrijdingspastoraat hoor ik geregeld zeggen dat kerk en theologie meer aandacht aan demonie en bevrijding moeten besteden. Laat ik er duidelijk over zijn dat ik deze oproep zo in zijn algemeenheid gesteld niet deel. Al te gemakkelijk kan de aandacht voor duivel en kwaad een onderwerp op zich worden waar mensen door gefascineerd raken. Maar elke fascinatie voor het kwaad is letterlijk uit de boze. Moet je dit onderwerp dan negeren? Allerminst, waar mensen levensvernieuwing zoeken vanuit hun geloof, een echt verschil, daar stuiten ze erop. Echter, een evangelische, bijbelse manier van omgang met het kwaad betekent dat je de duivel niet al te veel respect betoont. Wie gedoopt is, wie door Christus aangesproken is, heeft Christus voor ogen. Het oude hebben we in de rug, we kijken naar voren, naar de vrijheid van de kinderen van God, waarin Jezus de mensen stelt. De enige die respect toekomt, is God.

Dualistisch

In het verleden ben ik zelf wel met kringen in aanraking geweest waar men zo onder de indruk was van demonie en bezetenheid dat men er feitelijk een dualistisch godsgeloof op nahield. De duivel werd bejegend als was het kwaad de evenknie van God. Waar die overtuiging heerst en de atmosfeer bepaalt, is de goede wil vaak wel aanwezig, maar het evangelisch krachtenveld verlaten. Ik wil hiermee allerminst de macht het boze of van de beduvelaar ontkennen. Maar te veel respect lijkt me nu juist niet bijbels en daarom theologisch en pastoraal niet verantwoord. Hoe dan wel? Ik sluit maar weer even aan bij die zelfpresentatie aan het begin van de tien geboden. Eerst meldt zich de bevrijder, degene die ons uit het slavenhuis bevrijdt. Daarna vernemen we hoe die nieuwe vrijheid op allerlei manier vorm kan krijgen. Wanneer we de nieuwe vrijheid van een mens (of kind) van God oefenen, stuiten we geregeld, vaak onverwacht en hard, op gebieden waar het oude nog knelt, zeer doet, ons feitelijk aan de ketting legt. In de vorige artikelen over dit onderwerp vertelde de familie Ophoff hoe dit bij hen praktisch werkte. Hun verhaal en getuigenis sprak me aan omdat valse bindingen of verbindingen niet gezocht werden, geen voorwerp van ongezonde fascinatie waren, maar iets waar men eenvoudig op stuitte. Bovendien vormen in hun reflectie het geestelijke en het psychologische geen tegenstelling die elkaar uitsluiten. Er lopen heel wat mannen en vrouwen rond die op enig moment in hun leven niet verder kunnen omdat een oude vloek is gaan werken en niet meer onder het vloerkleed te vegen is. ‘Jij had nooit geboren moeten worden!’, is zo’n woord. Misbruik hoeft niet eens fysiek te zijn om toch misbruik te zijn. Het maakt dan niet eens zo heel veel uit of de herinnering altijd klopt of niet. Woorden roepen werkelijkheid op en kunnen de lust tot leven, tot aanvaarding van lijf en leden ondergraven en stokken. In zulke gevallen kan er sprake van zijn dat mensen in beslaggenomen zijn door machten die hen van het leven afhouden. Die de verbindingen met het door God gegevene als in zoutzuur doen oplossen en een diepe lusteloosheid veroorzaken.

 

Oefening

Psychologische therapie en een goed, geestelijk pastoraat kan dan beide dringend gewenst zijn. In het gebed worden mensen dan voor God gesteld, in de macht van Jezus Christus de Levende. Dat betekent veelal niet dat alle problemen ineens weggesmolten zijn, als sneeuw voor de zon. Wel staat de eigen problematiek in een ander krachtenveld, waarin het oude, de vloek, de overmacht niet meer erkend wordt als het enige waarmee te rekenen is. Het vraagt oefening om een andere manier van leven te leren, om woorden van zegen te aanvaarden, het ja van God in je leven te vernemen. Theologisch gesproken is de enige macht die we echt met respect zullen kunnen bejegenen die van Christus. Deze overtuiging bepaalt wat mij betreft ook de houding ten opzichte van de vraag of er bindingen uit het voorgeslacht kunnen doorwerken. Te veel aandacht kan ook hier gemakkelijk te veel eer zijn en ongezond. Het is niet moeilijk om te begrijpen en aan te wijzen dat mensen gevormd worden door de kring waarin ze geboren worden. Het kleine kind en de jongvolwassene worden onbewust van talloze commando’s, aanwijzingen angsten en drijfveren voorzien het leven ingestuurd. Genetisch en psychologisch zijn we materiaal waarvan we ons maar voor een heel klein percentage bewust zijn. Er is echter sprake van een onverantwoord spookgeloof wanneer de rol van het voorgeslacht als te machtig en als een onbestemde belasting wordt voorgesteld. Nogmaals, waar dat gebeurt wordt al te snel een tribuut betaald dat hier niet meer op zijn plaats is. Het kan nodig blijken de dingen te benoemen, iemand uit een oud diensthuis uit te leiden, maar dat kan alleen door opnieuw te verbinden aan de liefde van Christus, aan de Schepper van hemel en aarde.

 

Alleen persoonlijk?

De aandacht voor demonie en bevrijding richt zich veelal op de rol van enkele personen. Terecht stelt men dat het kwaad zich hecht aan ons leven op zwakke plekken. Wel is opvallend dat in dit verband dikwijls de rol van de seksualiteit langs komt. Ik begrijp dat heel goed. Onze lijfelijkheid is een bron van glorie maar soms ook van misère. Ook hier geldt dat de misère het best bestreden wordt door te oefenen in de glorie. Maar waarom vind ik hier zo dikwijls uitsluitend aandacht voor het persoonlijke? Als de apostel Paulus het heeft over de machten en de overheden, bedoelt hij echt niet alleen die zaken die ons persoonlijk leven beheersen, maar gaat het over dat wat ons als samenleving, als cultuur, als politieke en economische gemeenschap bezet en in de greep houdt. Het heeft te maken met de druk die op mensen gelegd wordt om te presteren, om mooi en aantrekkelijk te zijn, verre reizen te moeten maken, om alles te moeten zijn of te hebben. Dat zijn diensthuizen zonder einde. In de zucht naar het grenzeloze, waar de oudere generatie de jongere voordoet, schuilt een opstand tegen onze schepselmatige begrenzingen. De macht van het kwaad, zo u wilt de demonie, zit dieper verscholen dan in de meeste vormen van bevrijdingspastoraat aan de orde komt. Maar ook die verscholenheid is geen reden om in paniek te raken, je te laten fascineren, en deze machten op te pompen tot reusachtige spoken die ons de adem benemen. In het evangelie en als het goed is dus ook in de kerk leren we ons te laten fascineren door iets heel anders. Dan komt er lucht.


Prof. dr. C. van der Kooi is hoogleraar westerse systematische theologie aan de Vrije Universiteit.

Eerdere delen in deze serie stonden in de krant van 29 december en 2 januari.
 

Share →

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>